woensdag 19 februari 2020

Nieuwe hoop in Casserole


Er werd weer twee opeenvolgende weekends fors gewerkt in de Casserole.

Zondag 9 februari 2020

Terwijl buiten de storm “Ciara” over het land raasde, gingen we met drie naar de Casserole: Mario, Mich en ik. Op de werkplaats aangekomen, zag ik dat de plop prima had gewerkt. De nauwe spleet recht omlaag was flink verbreed, maar er zat een enorme hoeveelheid puin in. Ik zag amper in hoe dat eruit gehaald kon worden: het zat een meter dieper in een verticaal putje dat bovendien met een nauwe horizontale passage begon. Voor Mario en Mich alvast geen optie dus moest ik het doen. Met de kop omlaag hangen, een paar stenen of gruis vastnemen, in een bakje steken en als dat vol was, achteruit weer omhoog spartelen. Daarbij moest Mario me aan mijn benen trekken! Mich die stapelde de stenen weg waar ze maar kon. Nadat er twee heel grote blokken waren uitgehaald, met extreme moeite, werd het ietsje ruimer. Zo werkten we 2,5 uur lang.  Tegen dan was ik “meurreg”. Maar de felle tocht, meestal aanzuigend, maar soms blazend (te wijten aan de stormwind buiten) bevestigde ons wel dat we op de juiste plek bezig waren!
Grote plop gezet (4 gaten) en buiten gaan eten. 20 minuten later weer terug, alle rook was volledig weg! Eén plop was jammer genoeg niet gegaan waardoor het beneden nog steeds erg smal was, maar nu kon ik er al zitten en met één hand steentjes omhoog geven naar Mario. Zo werd het ruimer en ruimer. Op den duur kon ik al met mijn benen in het vervolg zitten. Dat vervolg is een lichtjes dalende gang, zowat 70 cm breed waarin men 2-3 m ver ziet. Te laag nog wegens wat blokken die erin liggen. Maar dat ziet er toch wel hoopvol uit! We besloten deze zware werkdag met een nieuwe plop.

Zondag 16 februari 2020

Doordat de geplande topotocht in de Wuinant geannuleerd was (wegens te hoge waterstand), konden we alweer naar de Casserole. Weer met drie: Mario, Paul en Annette. En opnieuw was het vandaag stormachtig weer, ditmaal de storm “Dennis” die bij momenten voor een enorme tocht in de grot zorgde! Het was direct duidelijk dat het ruimen van de grote plop van vorige week te lastig zou zijn, indien we niet eerst wat meer ruimte maakten. En dus werd eerste werk nog een dubbele plop bijgezet in het putje. Twintig minuten later was de atmosfeer in de grot alweer perfect zuiver. Ze zuigt dus meer aan dat ze blaast. Overigens: een experiment heeft aangetoond dat de Contrastes en Casseroles (die amper 50 m van elkaar liggen) exact hetzelfde regime hebben: ze blazen, resp. zuigen op hetzelfde ogenblik. Wat aantoont dat de 2 grotten niet rechtstreeks met elkaar in verbinding staan.
De nauwe spleet is nu een putje geworden 

Ik ruimde eerst alle grote blokken, een 20-tal kleppers. Daarna was het de beurt aan Annette om het kleinere gruis en stenen eruit te halen. Dat deed ze wel een uur lang, terwijl Mario en ik het zo goed mogelijk wegstapelden. Tegen 15 u was de situatie drastisch veranderd. Beneden het twee meter diepe putje (dat dus amper een maand geleden een vrij hopeloze spleet van 10 cm breed was, zie foto in blogartikel van vorige keer !!) was nu zoveel plaats gekomen dat je er kon zitten en draaien. En we zagen er drie mogelijke vervolgen:

  Naar links een horizontale pijp, waarin men 4 meter ver ziet


   Recht omlaag een spleet/putje met zicht op een schuin afhellende bodem, 2 m diep


 Naar rechts ziet met 2 meter ver in een geconcretioneerde diaklase.

Hoewel dat laatste vervolg het meest “grotachtig” is, zit daar de minste tocht. Hoe dan ook, we eindigden met een flinke plop (4 gaten) waardoor we volgende keer in elk van die drie vervolgen wat verder gaan geraken.  Maar, het zaaltje boven ligt nu stampvol puin – er kan niks meer bij! We moeten dus weer eerst een opruimdag houden, daarvoor moeten we met 5-6 man zijn! In elk geval wij konden toch niet meer verder werken vandaag.

Omdat het nog vroeg was, maakten we nog een toertje in de Trou Eugène. Dat bleek een slecht plan. De grot was ontzettend modderig (wegens recente crues) en na een uurtje hadden we het wel gezien. Maar het venijn zat in de staart, of beter in de lastige en gladde spleet die men vlak onder de ingang moet opklimmen. Mario spartelde er wel een kwartier in en geraakte finaal boven, na veel trekken en duwen door ons, waarna hij prompt bij het uitkomen ervan (smal gat) een rib brak. Volgde dus nog een kwartier duwen, steunen en helpen met een oud touw dat we ter plaatse hadden gevonden. Maar gelukkig geraakte hij eruit, de ingang was slechts 10 meter verder. 
Oef dus net geen speleo-secours, of beter een autosecours! Ja ja die ouwe venten en hun ribben, dat begint een klassieker te worden bij ons. We hebben er zelfs een grot naar genoemd: Trou des Côtes.

 In elk geval: veel beterschap Mario.
Mario toen alles nog pico-bello ging, in de Casserole


maandag 27 januari 2020

We Casserolen weer

Zaterdag 11 jan 2020 Eindelijk nog eens terug naar de Casserole geweest, ikzelf met Kjel Dupon. Vorig keer dateerde van exact 1 jaar geleden, maar in de grot was alles alsof we er pas gisteren waren geweest. 
Enerzijds hebben we het stukje doorheen de blokken nogmaals vereenvoudigd met vele lastige hoekpunten van de blokken te "schaven". Kjel toonde zich, na een minimum aan uitleg, een volleerde "percuteur" met Hiltipatronen. Anderzijds hebben we in het kleine zaaltje beneden, nog heel veel stenen en zand weggegraven. We hebben ons verstand op nul gezet en onder het zeer louche blok (dat ons 1 jaar geleden wat heeft ontmoedigd) veel plaats gemaakt. Het blok valt niet te ploppen want dan komt heel de éboulis ook omlaag. Ik heb de maten genomen om er wat ijzeren stutten voor te maken. Voorbij en onder dat blok zien we recht omlaag in een interessante spleet. Erg smal (10 cm) maar anderhalve meter dieper lijkt een verbreding.
De spleet omlaag waar we onze hoop op vestigen: 10 cm breed
Het zaaltje ligt nu weer grotendeels vol met puin en we zouden dus een volgende keer met 4 moeten zijn om het puin naar omhoog te halen. Nu de éboulis verbreed is, gaat dat al heel wat vlotter gaan!
Deelnemers: Paul, Kjel Dupon
Kjel aan het werk onder het gevaarlijke blok
Vrijdag 17 januari 2020: Een boel materiaal bijeengezocht om de Casserole te gaan stutten: cement, water, ijzeren buizen enz enz. Bij het zien en vooral wegen ervan heb ik besloten om daar al een deel van naar de grot te dragen. Maar dat viel al wreed tegen want mijn rugzak woog wel 35 kg. Met moeite aan de ingang geraakt en alles daar gelegd. 
Deelnemers: Paul

Zondag 19 januari 2020: In de namiddag solo naar de Casserole. Weer met een zware rugzak. In de grot alles in 3 keer omlaag gesleept (ik had een sherpazak mee; dat was geen goed idee!). Een paar uur zitten metselen en enkele stellingbuizen dwars onder het losse blok vastgemetst. Dat is nu echt wel veilig! Dan de spleet omlaag leeg geruimd van onze plop van vorige week. Ziet er eigenlijk niet zo slecht uit, misschien maar een dag werk om beneden te geraken. Nieuwe plop gezet (3 gaten) en dan wegwezen. Op de parking rond 17:30 waar het vervelende mannetje met de blauwe flikkerlichtjes mij weer eens kwam ambeteren. Echt teveel naar Miami Vice gekeken, dat kereltje. Ik heb hem deze keer vlakaf gezegd dat hij op mijn zenuwen werkte. Insiders weten over wie ik spreek!
Deelnemers: Paul

Zaterdag 25 januari 2020: Flinke opkomst voor een dagje puinruimen in de Casserole. Het was fris maar zonnig weer, de winter lijkt al voorbij!
We waren met 3 habitués: Annette, Michaëla en ik (Paul) en nog 3 voor wie het de eerste kennismaking met deze werkplaats was: Krzysztof, Bart en Paul VI. Na de twee sessies van de voorbije weken was er in het “zaaltje” beneden nog amper plaats, er lag waar wel 500 kg puin gestapeld. Dat was wel allemaal al verkleind tot hanteerbaar formaat, d.w.z. maximum kasseigroot. En dat moest ook want al dat puin moest steen voor steen worden doorgegeven!
Keep on smiling
We namen allemaal onze plaatsen in, een persoon om de twee meter in het toch wel verticale traject. Annette op de kop en Michaëla aan de staart (boven). We hadden niet met één man minder mogen zijn, want we kregen het puin net tot in het horizontale stuk van de grot. Na anderhalf uur stoïcijns stenen doorgeven lag het boven zowat vol en schoof heel de bende op naar de volgende etappe: 4 man buiten en 2 onderaan de ingangsput. En weer werd elke steen weer eens vastgepakt, omgedraaid, ingeschat qua gewicht en omhoog gesleurd, om buiten weer eens van hand tot hand te gaan en evenveel keren omgedraaid worden om de muren van de stapel te maken. Die stapel is intussen al vrij indrukwekkend!
Middagpauze
Middageten en dan weer omlaag om het laatste puin uit het zaaltje te ruimen, en de vorige plop te ruimen. Enkele grote blokken werden met patroontjes vergruisd. Sommigen waren van massief calciet, wel 30 cm dik! Rond 15 u zat het werk erop. De spleet recht omlaag, die we vorige keer aanvielen, lijkt al bijna geforceerd! Alle wroeters van dienst kwamen nu ook eens kijken en we slaagden er zelfs in om met 6 tegelijk in het zaaltje te geraken. Een erg intiem gebeuren! Het leek een beetje op de welbekende wedstrijd: om ter meeste volk in een Mini Cooper steken (een originele hé, zo’n rijdende rolschaats!).
Happy together
Ik eindigde de dag met een grote plop, dat ging echter moeizaam en nam bijna een uur in beslag. De anderen konden jammer genoeg niet veel meer doen dan wachten (sorry!). Ik ben erg benieuwd naar het vervolg. Het lijkt beneden ruimer te worden… We zitten nu +/- 13 m diep, dus al onder het diepste punt van de grote doline. Na 37 sessies mag die doorbraak al eens komen!
De aanzuigende tocht vandaag was wat wisselvallig maar lijkt toch te verdwijnen in die spleet omlaag. Zoals steeds was de grot droog en zeer stoffig. ’t Is eens iets anders dan natte modder!
Deelnemers: Paul, Annette, Michaëla, Krzysztof, Bart en Paul VI

Foto's: de 2 Paulen

dinsdag 10 december 2019

Topo in Trou Wuinant

Nieuwe afspraak aan de Trou Wuinant voor een “Interclubactiviteit Avalon-Cascade-GRSC-Casa-C7”. Voor Rudi en mij was het hoofddoel verder stroomopwaarts topograferen, voor Frits en Jack verder werken aan de balisage en voor Stijn duiken van een sifon achteraan een zijrivier. Iedereen werd “en passant” ingelijfd als sherpa om het duikmateriaal te vervoeren, zo ook Pieter-Jan.
Jack, Stijn, Frits, Rudi, Paul, Dirk, Pieter-Jan, Geert en Herman (foto: Geert)
Ook aan de oppervlakte was een ploeg actief: Geert, Herman en Dirk. Dat zat zo: de vorige keer hadden we getracht om, met een Arva (lawinebaken)  op de 3 hoogste plaatsen in de nieuwe Réseau du Flair,  de juiste plaats daarvan aan de oppervlakte te bepalen. We wisten al wel dankzij ons topowerk dat die oppervlakte nog 10-11 m hoger zat. Dat experiment was gelukt maar de precisie met zo een Arva is niet erg groot. Wilden we hier ooit een put beginnen graven, dan moesten we echt wel op de meter nauwkeurig weten wààr!  Ons “radiolocatieapparaat” dat in een ver verleden met veel succes gebruikt was, was niet meer in bruikbare toestand. Gelukkig had knutselaar Geert een modernere en vooral compactere versie gemaakt, de “Arcana”. Daarmee moesten we, zeker op zo een geringe diepte, de plek heel precies kunnen bepalen. Tot slot zou Geert met zijn FLIR warmtecamera proberen om "warme plekken" te vinden, maar daar bleek het vandaag niet koud genoeg voor te zijn...

Zo gezegd, zo gedaan. De zeskoppige ploeg verdween met de vracht kitzakken in de grot. De lange Siphon 1 was nog steeds zo goed als open (op één korte “apnée” = vrije duik na).  Wel was door onze frequente trips van de voorbije weken, de bodem nu losgewoeld en dat slijk is rioolbezinksel: "grijs water". Dus die mooie watergalerij was een donkere, stinkende sloot geworden en dat doet flink afbreuk aan het plezier om daarin te duiken. Arm België en vooral Wallonië, dat op vlak van waterzuivering werkelijk nog nergens staat! Het hele bassin van de Vesdre (waaronder La Magne die gedeeltelijk doorheen de Wuinant stroomt) is een open riool.
De betekenis van "grijs water" wordt hier overduidelijk. En dan ruik je het op de foto nog niet! (Foto: Jack)
Aan de afslag van de Réseau du Flair gekomen, wuifden Rudi en ik onze vrienden uit, die het “plezier” kenden om nog 700 m verder met die duikflessen te mogen sleuren. Wij daarentegen moesten weer 53 m omhoog klimmen, richting hoogste punt van de Flair: de Escalade Chaud Boulette. Helemaal ten einde een schuin oplopende graafgang – na een geslaagd contact per walkie-talkie met de oppervlakteploeg - plaatsten we de Arcana zendspoel. Die zouden we vanavond weer oppikken.  Dan gauw weer naar beneden, tot in de rivier. Vanaf hier moesten wij verder topograferen in stroomopwaartse richting. We hadden eerst nog een kleine 75 m te doen tot aan de Siphon 2. Dat was een serieus obstakel voor een topoploeg die alles wil drooghouden! Deze sifon staat ook nog laag, en is nu een 10 m lang bassin met borstdiep water en halverwege een nog een stukje echte sifon. Een duik van zowat 1,6 m lang onder een dak door, dat nu een 30-tal centimeters onder water hangt. Toch wel een obstakel dat enige mentale moed en roestvrijstalen zenuwen vereist. De passage was de voorbije weken al enkele malen vrij gedoken en we hadden het als heel vervelend ervaren dat er geen enkele communicatie mogelijk was. Je wist niet of de andere veilig gepasseerd was.
Toch eerst even diep ademhalen voor de duik! (foto: Jack)
Ik had daarom een inval gehad en een stuk flexibele buis meegenomen, van 4 m lang. Aan elke zijde een kurk erin gestoken zodat ze niet vol water liep, en een drijver van PUR-schuim aan vast getaped zodat de uiteinden boven water bleven drijven. Eens die spreekbuis doorheen de sifon gestoken, bleek dit wonderwel te functioneren! En dat maakte alles veel relaxter en ons topowerk heel wat eenvoudiger. 
Zo eenvoudig en toch zo effectief: de spreekbuis (foto: Jack)
Voor deze onderwatermeting konden we de DistoX niet gebruiken. Dus trokken we een lintmeter doorheen de sifon, zo strak mogelijk. Met de DistoX konden we daar wel de richting van meten, en de helling was nul want aan beide zijden van de sifon kozen we een topopunt op 10 cm boven het water.
Heel dit maneuver duurde toch wel een kwartier. Een vrij koud kwartiertje, rondplonzend in het borstdiepe, zwarte rioolwater. Getuige dit leuke filmpje dat we “koffiekletsen in een sifon” zouden kunnen noemen:

Na de sifon wordt de galerij verbluffend groot. Afmetingen als deze zijn in België zeldzaam (tenzij Père Noël of Lesse Souterraine).  De gang is constant 10 tot 15 m breed en een meter of 6 à 10 hoog. Op sommige plaatsen verbreedt het tot 20-30 m en 15 meter hoog. In het midden een droge rivierbedding van 1 à 3 m breed. Mocht dat water stromen, het was nog veel mooier. Maar daar zullen we toch eerst een ingang post-sifon voor moeten maken want in crue-omstandigheden zijn de sifons dicht, uiteraard.
We dwongen ons de metingen tot maximum 20 m lengte te beperken, anders is het tekenwerk veel te moeilijk. Maar hier en daar kan je makkelijk 40 of 50 m rechtdoor meten!  200 m na de sifon is een eerste grote zaal. Tegen dat we daar waren was ik al 10 bladzijden ver in het topoboek en hadden we het geen van beiden nog warm. In deze zaal is een hoog balkon zichtbaar, 16 m hoog vertelde de DistoX. Een klim voor later.
Stemmen kwamen ons tegemoet: Stijn en Pieter-Jan. De duik had jammer genoeg geen vervolg opgeleverd, twee ondoordringbare sifons. Het duo ging alvast naar buiten, Rudi en ik topografeerden verder. 
Nog even doorbijten met de toposessie! (foto: Jack)
Nog 200 m reuzengalerij en dan de volgende grote zaal, met verbluffende concreties en vooral een grote cheminée in het plafond (die de ontdekkers in 1984-1985 wel hadden beklommen: hoedje af).
Het was nu rond 16 u, en daar verschenen Frits en Jack die weeral het einde van een rol van 200 m balisagetouw hadden bereikt en dus technisch werkloos waren. We wilden vanavond niet te laat buiten zijn, dus inpakken en wegwezen. Rudi en ik hadden nog wel de zender te recupereren in de Flair. Weer 53 m omhoog dus en onze Crolls en Pantins zaten zo vol klei dat we amper omhoog geraakten. Nog een stukje topo daar om de exacte positie van de zender vast te leggen, en dan op weg naar buiten. Om 18 u stipt stonden we buiten.  
Jammer genoeg bleek Frits plots zo ziek als een hond te zijn geworden (wat teveel rioolwater gedronken de voorbije dagen?). We zijn niet meer op café gegaan maar hebben de patiënt zo snel mogelijk naar huis gevoerd. Zo zie je maar: hoe kleine  beestjes de sterkste eiken geveld krijgen. Beterschap Frits!
De Arcanameting bleek prachtig gelukt en Geert maakt zich sterk dat de positie op een paar centimeter na juist is! De drie draden (triangulatie van de radiogolven) kruisten elkaar bijna op dezelfde plek!
De oppervlakteploeg bezig met de Arcanameting (foto: Geert)
De topo totaliseert intussen al bijna 1000 m en we zijn nog niet halverwege de ondergrondse rivier. Wordt gauw vervolgd.

Paul

zaterdag 23 november 2019

Het verslag van de derde reeks 'Mini-Expedities' naar de Vannon en de Rigotte

Al vijf jaar is een super gemotiveerde ploeg bezig met de exploratie van twee grote grotsystemen op de grens van de Haute Marne met de Haute Saône. In 2018 en 2019 werd eindelijk in beide systemen een grote vooruitgang geboekt.
We krijgen nu stilaan zicht op de ondergrondse loop en hydrologie van beide rivieren, en we weten met zekerheid dat er nog veel ontdekkingen op ons liggen te wachten.
De eerste twee reeksen mini-expedities werden reeds gepubliceerd. Een nieuwe publicatie dringt zich dus op.
Je vindt het verslag van de derde reeks mini-expedities hier:

Verslag van de derde reeks 'mini-expedities' (2019)


En wat vooraf ging: de verslagen van de eerste en tweede reeks:



Verslag van de eerste reeks 'mini-expedities'

Verslag van de tweede reeks 'mini-expedities'

Jos

dinsdag 12 november 2019

Réseau du Flair


Zondag 3 november 2019

Na de ontdekking van het nieuwe stuk in de Wuinant (zie https://scavalon.blogspot.com/2019/10/wonderlijke-wuinant.html ) stonden we te popelen om verder te doen. En petit comité dus, als “Interclub”, met Frits (GRSC), Kjel (Styx), Rudi en Paul (Avalon). Het had heel de week regelmatig geregend dus dat werd een gok. Na het herequiperen van het touw in de putten, namen Rudi en ik beneden afscheid van de andere twee want die gingen klimmen in de Réseau du Flair.
Paul in de ingang (foto: Jack)
Rudi en ik topografeerden eerst vanaf de voet van de ingangsput in stroomafwaartse zin, tot aan de Siphon aval (verschrikkelijke blubber) en dan richting stroomopwaarts. Dat ging goed tot waar het water begon, toen werd het echt wel zeer lastig vanwege het schouderdiepe water en de alomtegenwoordige modder. Het boekje en Disto proper of droog houden was bijna niet mogelijk. Het water stond niet hoger dan vorige week (oef) maar toch bleek het niet simpel: hoe meet je door een passage die tot het dak vol water staat ? Voor alles zijn er oplossingen dus finaal waren we doorheen de waterzone en konden we verder meten tot aan de eerste zaal en dan links omhoog naar de Réseau du Flair. Met onze ontdekking weer te zien, bleken de zalen nog groter en hoger dan ik me herinnerde. Frits en Kjel waren rond met de eerste klim en hadden geen touw meer: onze C27 was eraan opgegaan, wat al een idee geeft van de afmetingen hier.  Dus de tweede klim was niet meer voor vandaag. Hun klim was een flink eind hoger geëindigd in een nauwe spleet met zelfs wat wortels!!Ze hadden nog een interessante blokkengalerij geëxploreerd ook.
Vanaf hier topografeerde ik verder met Kjel want Frits ging Rudi de grote collecteur tonen en al beginnen met balisage.
Tegen 17 u waren we nog niet rond met de topo maar moesten we nog de ingangsputten opmeten. Einde van ons werk dus en gauw naar de putten. Daar werden we ingelopen door Rudi en Frits. Ze hadden zowaar de S2 in apnée over 1m50 moeten duiken, het water stond 40 cm hoger dan vorige week! De rivier had terug tot daar gestroomd en deze sifon gedeeltelijk gevuld. Dat ziet er niet zo goed uit voor de toekomst!
’s Avonds laat de topo nog uitgewerkt. We hadden al zowat 400 m ontwikkeling, waarvan al +/- 130 m voor de Réseau du Flair! Maar de verrassing was wel hoeveel we gestegen waren: 53 m boven de rivier uit, dus zelfs 10 m hoger dan de ingang! Ongelooflijk dus: een Wuinant naast de Wuinant. Hoever we van de oppervlakte waren, was moeilijk te schatten zonder precieze oppervlaktetopo.

Zaterdag 10 november 2019

Het was duidelijk dat we niet zoveel tijd meer hadden. De Siphon 2 was dus al bijna aan het overlopen en een volgende regenperiode zou betekenen dat ook de 40 m lange Siphon 1 zich weer zou vullen. En dan was het over & out voor onze exploraties in de Réseau du Flair! Wie weet wel voor héél lang. Dus, iedereen zijn agenda overhoop gegooid zodat we toch naar daar konden.
De klimmers van dienst waren Frits (GRSC) en Jack (C7), de topografen Krzysztof en ik (Avalon). Met andere woorden: bijna de integrale Anialarraploeg van afgelopen september, op Annette na.
Paul net voor de apnée (Foto: Jack)
De S1 passeerde nog steeds (1 VM en 1 korte duik).

Korte videoclip van onze waterpret hier: https://youtu.be/XG7ayvpdprk

Opgelet laat je niet vangen: dit is geen tropisch zwemparadijs maar wel een stinkende riool. Gelukkig zijn we gevaccineerd tegen alle vreselijke ziektes die in deze donkere drab zitten...

In de grote zaal van de Réseau du Flair splitsten we op. In deze zaal is een magnifieke synclinale zichtbaar, dus stel ik voor ze Salle du Synclinal te noemen (origineel hé). Frits en Jack begonnen aan de klim in de andere, hoger gelegen zaal. Voorlopig naamloos; Salle des Filous is een voorstel :-) . Intussen begonnen Krzysztof en ik met de topo van een lager gelegen galerij. Dat was een moeizame klus want deze grote gang was grotendeels een blokkenstort. Lastig om te meten, zoiets. En er waren twee verdiepingen, diverse nauwe kl…passages en overal zo instabiel als de pest. Maar zeker nog niet gedaan daar.  Kortom we waren uren bezig. Tegen dat we rond waren, hadden Jack en Frits net de eerste klim afgewerkt. Die ging ook heel hoog, maar eindigde in een pakket blokken dat boven je kop hing. Tussen de blokken zie je nog 4 meter hoger, maar er valt niet aan te werken, levensgevaarlijk.
Bovenaan de eerste klim hangt een ton los puin (foto: Jack)
Terwijl wij die klim van hen topografeerden, begon Frits aan de spectaculairste klim, in de Salle du Synclinal. Een klim waarvan iedereen droomt om ooit zoiets in België als eerste te kunnen doen. Eerst naar een enorm balkon op 12 m hoogte (waar hij toch even flink schrok toen een goujon eruit kwam), dan nog een klim van een meter of 5 over een tweede (instabiel) balkon.
Frits klimt naar het enorme balkon (foto: Jack)
Intussen hadden Krzysztof en ik gedaan met de topo van de eerste klim en begonnen we aan de explo/topo van een soort meander, uiterst modderig. Na 10 m bereikten we zowaar een 5 m diepe put, niet af te dalen zonder touw. We waren nu zo vettig dat we eerst naar de rivier terug moesten om onze klimuitrusting weer herkenbaar te maken. De volgelopen S2 was een perfecte badkuip daarvoor. Ondertussen waren Frits en Jack boven geraakt en daar vertrok zowaar een mooie galerij! En ze waren zo lief geweest om op ons te wachten. Dat is de echte vriendschap hé. Frits moest nog wel eerst het klimtouw anders equiperen zodat wij konden volgen. Dat bleek weer lastiger en tijdrovender dan gedacht en bovendien was onze C35 te kort!

Bovenaan de klim vertrekt een mooie gang (foto: Jack)
Eens allemaal boven exploreerden we koortsachtig verder. Jammer genoeg was 15 m verder de doorgang al te nauw (maar het liep wel verder). Zeker aan verder werken, temeer omdat er een sterke tocht voelbaar is. 

We zitten hier amper 12 m onder de oppervlakte (foto: Jack)
Het was intussen al bijna 19 u en dat was het uur dat we aan onze respectievelijke echtgenotes hadden gezegd als “ultiem”! Toch liet ik me niet van de wijs brengen door de anderen: dit moest en zou nog getopografeerd worden, volgende week was het misschien te laat. Gauw-gauw topo maken dus, en dan een spurt naar buiten. Om 20 u stipt arriveerde ik buiten en kon ik de dames (die al in reddings-, resp. paniekmodus verkeerden) geruststellen. Het was dus weer een lange dag in dit verbluffende nieuwe réseau.
De topo wees uit dat onze toevallige ontdekking van enkele weken geleden, echt wel zeer belangrijk is. De totale lengte van de Réseau du Flair nadert de 300 m en het volume van deze grote zalen en klimmen is veel groter dan de ingangsput van de Wuinant.
Uiteraard was het nu de vraag: hoever zitten we nog van de oppervlakte? Daarvoor hebben Annette en ik twee oppervlaktetopo’s gemaakt, zo precies mogelijk. Daaruit blijkt dat we er nog 10 à 12 m vandaan zijn (de 3 klimmen stijgen elk ongeveer even hoog).  Maar buiten is echt niks te zien: het bos. Eerst dus nog van binnen verder werken, zodat we de oppervlakte nog wat verder naderen, vooraleer we buiten aan de slag gaan.
Coupe

Wordt vervolgd (dat hopen we toch).

zaterdag 9 november 2019

Vannon en Rigotte : dromen worden werkelijkheid


De 24ste mini-expeditie naar de Vannon en de Rigotte : 28/10 tot 03/11/2019


Deelnemers: Geert, Stijn, Herman (SC Cascade), Jos Dagobert, Erik (SC Avalon), Michel (ESCM), Gauthier (CRSOA)

Voorwoord

Een zeer gemotiveerde ploeg is al van 2015 bezig met de explo van twee ongekende grotsystemen op de grens van de Haute Marne en de Haute Saône, namelijk de Vannon en de Rigotte. De pertes waren onderzocht, de resurgenties vaag gekend… De ondergrondse loop van beide rivieren bleef een mysterie…
Na bijna 5 jaar exploratie krijgen we stilaan zicht op de ondergrondse hydrologie van beide systemen. Beter nog: we slagen er in om kilometers ver te vorderen in ongekende immense galerijen, mooi  gedecoreerde passages, heldere rivieren en prachtige zalen. Hier volgt het relaas van de inmiddels 24e mini-expeditie naar het grensgebied tussen de Haute Marne en de Haute Saône...

Het verslag van de duikploeg (Stijn, Gauthier, Michel, Herman)


Eind oktober was het opnieuw zover. De 24e editie van de mini expedities gaat van start. We zijn met een ploeg van 4 duikers en 4 gravers. Mooi verdeeld dus.

1. Het team: Dagobert, Gauthier, Erik, Stijn, Jos, Geert, Michel, Herman (foto: Stijn Schaballie)

De duikers willen de Rigotte zo ver mogelijk exploreren en topograferen voorbij de S6.
Gebruikelijk zijn we na de rit van start gegaan met gewenningsduiken. Voor Michel en Gauthier is de Rigotte volledig nieuw. Tijdens de vorige sessie zijn de lijnen via de Crotot Maison geoptimaliseerd en werd er 6 kg lood voor de S6 gedropt. Stijn heeft tevens van het ogenblik gebruik gemaakt om de lijnen in de ingangszone van de Vannon aan te passen in functie van de nieuwe vervolgen die door hem zijn gevonden tijdens de vorige mini-expé. Na een korte kennismaking van de ingangsversmalling en het weinige zicht in de Rigotte, ontpopten Gauthier en Michel zich als transportduikers. Uiteindelijk moeten 4 flessen en een kitzak naar binnen gebracht worden willen we met twee voorbij de S6 topograferen.

2. Het 'depot' na de S6 (foto: Gauthier Roba)
De tweede dag was een vervolg van de eerste. Transport onder water, en daarna tot aan de S4. Stijn en Gauthier zijn onmiddelijk tot voorbij de S6 gegaan om de topo aan te vatten. Na 500m topo ingeblikt te hebben, deden we onszelf een 500 tal meter première cadeau, tot aan een S7. Deze sifon dient gelukkig niet gedoken te worden. Uit de S7 komt het actief tevoorschijn, maar daarnaast zijn er twee 'droge' alternatieven.

3. Wondermooie concreties (foto: Gauthier Roba)
Ook de derde dag zijn Stijn en Gauthier voorbij de S6 gaan topograferen.
Samengevat is de Rigotte een zeer afwisselende grot met zowel droge als actieve galerijen, zalen en enkele blokkenstorten. Het vorderen bestaat voornemelijk uit stappen, afgezien van de twee duikzones. Voorlopig moet alles samen ongeveer 150m ver gedoken worden, op max -3m.

4. Sprakeloos.... (foto: Gauthier Roba)
Ondertussen zijn Herman en Michel de nieuwe vertrekken in de Vannon gaan 'bekijken'. Michel kon in de nieuwe rivier een 20-tal meter nieuwe lijn leggen en boven water komen in een klok. Het vervolg heeft hij niet gevonden, wetende dat er ongeveer 1m zicht was onder water. Herman heeft op zijn beurt de parallel in gezwommen, en heeft daarbij 50m lijn gelegd met einde op niets.
Beide vertrekken moeten herzien worden in betere zichtbaarheids-omstandigheden. 

5. Tweehonderd meter zwemmen... (foto: Gauthier Roba)

De laatste dag bestond er uit om alle spullen te recupereren en enkele onafgewerkte zaken te doen. Gelukkig waren we daarvoor met 4. Om de gravers een opkikker te geven, werd een nieuwe Arva-meting georganiseerd. De Arva werd daarvoor op een mast vastgemaakt en voor het veronderstelde dichtste punt gehouden tegen het plafond in de galerij. Op deze manier zou de meting de grootste nauwkeurigheid geven.

6. Mooie ersosievormen. (foto: Gauthier Roba)
Eerder deze week werd tevens de perte van de rivier gevonden tussen de S4 en de S5. Eerst werd gedacht dat die ergens onder water zat in de S6. Niet dus. Het is een kleine laminoir met vrij veel stroming. Bij hoog water is dit wellicht allemaal sifon. Het teveel aan water loopt dan via de S4 uit tot aan de ingangen van de beide Crotot's. Gauthier en Stijn  hebben er met hun duikspullen en een lintmeter, een topo gemaakt van 60m ontwikkeling. In de halfverdronken gang zijn ze teruggedraaid op een bijna-sifon waar het voor hen écht te link werd.
Eenmaal terug buiten, ontdekte Stijn dat het water van de Resugence du Chat een bruine kleur heeft, waarschijnlijk als gevolg van hun geploeter in de halfverdronken laminoir! Van een kleurproef gesproken!

Verslag: Stijn Schaballie.

Het verslag van de graafploeg (Dagobert, Erik, Geert, Jos)


Omdat we sinds vorige expé met zekerheid weten dat een verbinding tussen D40 en Rigotte mogelijk is, zijn we zeer gemotiveerd om verder te graven. Ik was enkele weken geleden al wat 'voorbereiding' gaan doen, en dat moest eerst geruimd worden. Daarna kunnen we het vervolg aanpakken.
We hebben deze expeditie zwaar materiaal mee: een stroomgroep, 90m elektriciteitskabel en een zware Makita breekhamer. We verwachten ons aan serieus breekwerk! Maar eens we verder graven, blijkt het vooral klei en blokken te zijn. Dat hadden we niet durven hopen. 

7. Graafwerken in de D40 (foto: Geert De Sadelaer)
We zitten dus wel degelijk in een opgevulde gang, en de (kleine) concreties op de wand, onder het sediment, leveren ons daarvan het bewijs.
Het aantal bakken dat uit de boyau getrokken wordt, is niet te tellen. Het is zwaar labeur, en zonder de wetenschap dat er een grote grot achter zit, zouden we hier nooit aan beginnen! En we zijn nochtans wel wat gewoon! De modder is onwaarschijnlijk plakkerig: een bak vol krijgen, is moeilijk. Een bak terug leeg krijgen al evenzeer. Het is vooral Dagobert die 5 dagen lang graaft... Erik en ik zijn de bakkentrekkers van dienst!
Zaterdag komt Geert Erik vervangen. We hebben vandaag een Arva-meting gepland en tevens een Walkie Talkie test met de duikploeg. We hopen zo op een juistere afstandsbepaling en communicatie met de duikploeg achter de sifons zou fantastisch zijn. De Arva-meting verloopt foutloos, het contact met de duikploeg gaat echter moeizaam. We kunnen mekaar nauwelijks verstaan. Toch is het een bewijs dat Walkie Talkies ook onder de grond kunnen werken! 's Avonds doen we nog een ruwe topometing zodat we weten hoever we gevorderd zijn met onze graafwerken... Tevens blijkt het gangetje stilaan droger te worden: er is duidelijk tocht ontstaan en dat geeft ons moed om verder te doen.

Verslag: Jos Beyens

Resultaten


a) De ondergrondse Rigotte:

Ongeveer 1/3de van het traject (vogelvlucht) tussen de perte van de Rigotte en de resurgentie is getopografeerd. Het totale traject is 4,1 km in vogelvlucht. Het verkende deel kan bijna de helft van het volledige traject zijn, want ook nu hebben we onszelf getracteerd op een royale première.
Het verst getopografeerde deel ligt op 1758m van de ingang, in vogelvlucht is dat 1346m.
De topo meet nu 2745m en er is meer dan 1 km non topo, dus ongeveer 4 km.
Er werd 1633 m aan topo ingeblikt. Daarvan was ongeveer 1100 m première. Er is naar schatting nog meer dan 1 km non topo en op meerdere plaatsen einde op niets.

b) D40

Hier werd 5 m gevorderd en de afstand tussen de Rigotte en de D40 wordt nu geschat op:

1. Volgens de nieuwe en gecorrigeerde Arva-meting: 5 m
2. Volgens de topo: 6m
3. We kunnen hieruit afleiden dat onze duikers knap werk hebben geleverd en dat de 'duikerstopo' toch een grote precisie heeft.

c) Vannon

Hier werd alles samen 70m extra geëxploreerd, met in één tak einde op niets.

8. Immense afvloeiing. (foto: Gauthier Roba)

d) Toekomst

Eens de verbinding met de D40 een feit is, betekent dit:

1. Slechts één duikzone zonder versmallingen en in een stromende rivier, dus betere zichtbaarheid en dus meer potentiële duikers.
2. Assistentie van niet-duikers tijdens het transport van flessen enz.
3. Minder af te leggen afstand in de grot om de eindpunten te bereiken.
4. Een toch al mooie en ruime grot (tot S6) te bezoeken door niet-duikers.


Besluit

Het is duidelijk dat de ploeg al staat te popelen om verder te exploreren! De volgende mini-expeditie is dus al gepland. Het zal vooral een graafexpeditie worden. Een droge verbinding is immers niet enkel interessant voor de duikploeg. Ook voor ons is het deel voor sifon 6 al de moeite waard om te bezoeken. En wie weet vinden we nog nieuwe vervolgjes die onze duikers over het hoofd gezien hebben... Wordt dus vervolgd!




9.En het gaat voort!! Wordt vervolgd !!



woensdag 30 oktober 2019

Wonderlijke Wuinant.

Cartoon uit 1985
Trou Wuinant in Foret-Trooz, ontdekt in 1955, begint met een van de mooiste en diepste putten van ons landje, een ruime en geconcretioneerde P40. Beneden die put stroomt een klein beekje dat gauw sifonneert, zowel stroomopwaarts als -afwaarts.  De grot zou een klassieker zijn, mocht er niet halverwege de put een vreselijke vernauwing zijn, een amper 30 cm brede verticale brievenbus – op touw - waar je over 2 m je ribben voelt kraken. Geloof het of niet maar ik deed de grot in april 1985 (35 jaar geleden!) en ik herinnerde mij nog maar één ding: die vernauwing. Ze werd zelfs vereeuwigd in een cartoon in ons clubverslag van destijds. Een vrouwelijk clublid hield aan die trip trouwens de bijnaam Michaëla Steenslag over.  
Wat wij – en zelfs de rest van de wereld - op dat moment nog niet wisten, was dat enkele maanden voor ons bezoek, op 28 november 1984, François-Xavier Beaurir (SC Pic Hardy)) doorheen de stroomopwaartse sifon (40 m lang) was gedoken. Hij ontdekte een grote galerij. 100 m verder een tweede sifon, 15 m lang. Daarachter… een enorme collecteur. Maar François-Xavier was een modest iemand en schepte niet op over zijn vondst. Niemand die zich feitelijk realiseerde dat hij daar solo, over meer dan een halve kilometer, een van de mooiste en grootste galerijen had geëxploreerd die er in België zijn! Dat besef kwam pas enkele jaren later. 
François-Xavier was intussen onverwacht gestorven en zijn kameraden, Serge Cuvelier (La Rousette) en Roland Gillet (SC Belgique), wilden toch eens weten wat er nu juist gevonden was, en doken eind 1987 doorheen de sifon. Ze stelden gauw vast dat de rivier van de Wuinant zijn gelijke niet kende in België. 
De maanden erna, geholpen door o.m. Thierry Bouchez en Marie-Helène Grandjean, exploreerden en topografeerden zij de totaliteit van de collecteur. De grot bleek bijna 1500 m lang te zijn ! Een publicatie in het clubblad van de ESCM (Lapiaz Nr 7, 1989) en Regards (Nr 5, 1989) maakte de ontdekking wereldkundig. Link naar het origineel artikel.
In de decennia die volgden, was de Wuinant de natte droom van elke speleoloog, en het maken van een “droge” toegang stond hoog op de verlanglijst. In de vallei van de Magne waren vele verdwijnpunten en er moet in die 30 jaar een astronomisch aantal dagen zijn gewerkt en dat door een scala aan clubs. Vooral de GRSC beet zich er de laatste jaren in vast, geholpen door vele anderen (o.m. Cascade, Speleo NL enz). Radiolocaties en oppervlaktetopo’s wezen uit dat men stroomopwaarts héél dichtbij zat, maar het bleek een vrijwel onmogelijke opdracht omdat de geologie tegenzat.
Intussen bleven wij, niet-duikers, op onze honger zitten. Onze natte droom bleef – inderdaad – slechts een droom. Zouden wij ooit die mythische rivier kunnen zien? En was er eigenlijk wel iets te zien? Want  het handvol duikers dat in de periode 1987 tot vandaag doorheen die sifons doken, hadden zo goed als niks gepubliceerd en al evenmin veel foto’s gemaakt.
En toen, net toen we de hoop bijna hadden opgegeven, geschiedde het wonder…
Stijn Schaballie van Cascade had sedert 2017 verschillende duiken gedaan en vastgesteld dat de rivier aan het droogvallen was en het waterpeil in de sifons progressief zakte. Klimaatsopwarming en twee van de droogste jaren ooit zorgden ervoor dat de 40 m lange sifon 1 in oktober 2019 herleid was tot enkele korte voûte-mouillantes, en ook de S2 (15 m lang) was nog maar een korte “apnée” van anderhalve meter lang. Kortom: een niet-duiker met voldoende haar op zijn tanden, kon dat zonder luchtflessen doen! Stijn nam de week erna al direct de proef op de som met een clublid, die de eerste mens ooit werd om als niet-duiker de réseau postsifon te zien. Wij konden die dag niet mee, wegens een Speleo Secours opleiding, en vooral Frits was daar het hart van in. Want wie weet was dit volgend weekend al niet meer mogelijk, het regende immers vrijwel alle dagen.
Enkele weken later was het grote moment eindelijk daar: zaterdag 26 oktober 2019. Vijf kandidaten om het natte sop te trotseren: Frits en Patrice voor de GRSC, Kjel voor Styx, en Erik en ik voor Avalon. Ik had mijn fotospullen bij want dit was de gedroomde kans om eindelijk eens wat representatieve foto’s te maken, zodat ook de andere 99% van speleologisch België een beetje mee kon genieten van van die mythische collecteur. We puften de helling op tot aan de ingang waarbij de dikke neopreenpakken niet echt meewerkten. De afdaling ging vlot, de put was echt schitterend… op die shitspleet na. Het 60 m touw bleek net te kort maar we geraakten beneden.
Begin van de P40 (dit is nog niet de vernauwing!)
De rivier daar lag inderdaad droog, 50 m op handen en voeten door de modder kruipen tot waar het water begon. Ik dook als eerste het water in. Zulke lage watertoestanden heb ik tientallen keren gedaan, (in de Bretaye en de Fagnoules) maar daardoor weet ik ook heel goed hoe tricky het is en hoe gauw het noodlot kan toeslaan: ik verdronk eenmaal bijna en tweemaal was ik met de stressmeter ver in het rood maar nipt weer uit zo’n rattenval met 2 cm lucht geraakt. Wat evenmin geruststellend was: In oktober 1971, lang voor de duik van Beaurir dus,  had de 20-jarige Dirk Van der Wee al geprobeerd om doorheen de sifon van de Wuinant te geraken… ook zonder duikuitrusting. Wat hem bezielde, weet niemand, misschien teveel boeken van Casteret gelezen? Mogelijk stond het water toen ook zeer laag?  Slecht plan in elk geval: de jongen verdronk…
Het touw wijst de weg: volledig onder water dus. Frits en ik zijn er al door. 
Maar de euforie van het moment deed ons onze zorgen gauw vergeten, vooral toen we zagen dat het water iets lager stond dan de rode verfstreep die Stijn vorige keer op de rots net boven het waterniveau had gezet. De eerste lage passage was eenvoudig, je kon nog net je hoofd boven houden. Volgde een stuk met erg diep water (bijna zwemmen) met lugubere zwarte concreties die half onder water stonden! De volgende lage passage was serieuzer; hier was geen lucht en je moest over anderhalve meter onder het dak doorduiken. Gelukkig had Stijn hier een speleotouw doorgehangen. Erg spannend. Ik had een goedkoop waterdicht fototoestel en filmde de "ambiance aquatique". Povere kwaliteit maar toch leuk. 
De film staat hier (7 minuten): https://youtu.be/bwZIvyS3Mg8
Eens we allemaal daardoor waren, verlieten we het water en werd de galerij groter en groter. Gitzwarte afzettingen (mangaanoxide ?) op de wanden, zeer veel concreties maar zwart van de veelvuldige crues die hier alles metershoog blank konden zetten. Na een kleine honderd meter: een eerste grote zaal, met on-Belgische afmetingen. Dan de beruchte tweede sifon, oorspronkelijk 15 m lang maar nu herleid tot een voûte-mouillante van amper 1 meter lang! Duikbrillen en neopreenkappen konden we nu achterlaten.
Kjel bewondert de eerste concreties
Euforisch vervolgden we onze weg door een galerij die nu constant 10 m breed was. We liepen in een rivierbedding, die nu droog was, tussen grote oevers van maagdelijke klei. Er was geen voetstap in te zien. Hoeveel mensen waren ons hier voorgegaan? 10 à 15 ? 
Droger rivierbedding in een reuzengalerij
Een volgende grote zaal deed iedereen in enthousiast gejoel uitbarsten: spierwitte, flonkerende druipsteenmassieven contrasteerden met zwarte concreties. 

Vanaf nu vielen we van de ene verbazing in de andere. Achter elke hoek was er wel een nieuw wonder der natuur te bewonderen. Stalagmieten waren er weinig (wat in een actieve rivierbedding logisch is) maar nooit eerder zag ik zo een opeenvolging van druipsteencoulées en gordijnen die van de wanden en het dak omlaag vloeiden. 


En dat bleef maar duren, over honderden en honderden meters. Jammer wel dat de rivier droog lag want dan had het nog veel mooier geweest… maar dan hadden we hier niet kunnen geraken, natuurlijk.


Een gedruis in de verte trok onze aandacht en 100 m verder stroomde inderdaad een forse beek ons tegemoet, die gorgelend in een nauw gat verdween. In normale omstandigheden was dit verdwijnpunt niet toereikend en stroomde de rivier verder, tot onderaan de put van de Wuinant dus. Nu niet, maar het zag er niet naar uit dat dit gat veel extra water kon slikken...

Vanaf nu liepen we dus stroomopwaarts in de rivier. De dimensies verkleinden (2x3 m) maar het bleef mooi met echte “postkaartjes” links en rechts. Nog een flink stuk verder eindigden we in een nauwe zone. Alles liep er stilaan dicht in de concreties. Hier rondkruipen zou veel moddervervuiling betekenen want de concreties waren hagelwit en jammer genoeg was er veel besmeurd. We splitsten op: Patrice en Frits zouden hier nog wat rondzoeken want in deze zone zit men echt vlakbij de diverse grotjes aan de oppervlakte. Ikzelf benoemde Erik en Kjel prompt tot foto-assistenten en terwijl we terugliepen, namen we zo op een tiental mooie plaatsen foto’s.

De eerste foto was al gecompliceerd want een van de twee assistenten (Erik) had een forse en lange voûte-mouillante in het oog gekregen van een zijrivier, een obstakel met 3 vingers lucht over meerdere meters en was dus prompt daarin verdwenen. Nadat hij terug was wilde Kjel dat ook wel eens doen. Eens deze waterpret achter de rug konden we echt met de foto’s beginnen.


Na een paar uur waren de assistenten het poseren wat beu en hoorden we Frits en Patrice naderen. Het fotomateriaal werd ingepakt (maar er is nog zoveel meer op de gevoelige plaat vast te leggen!).
Het was 16 u, we mochten niet treuzelen want ik had Annette gezegd dat ze ten laatste om 18 u bericht zou krijgen van mij – zo niet was er iets mis.
Stroomopwaarts stroomt de rivier nog steeds...
Weer door de korte S2 gedoken dus en daar stonden we dan in die grote zaal tussen de twee sifons. Ik liep achteraan het peloton dat zich al klaarmaakte om doorheen de S1 te ploeteren toen ik hoog op de rechteroever een terras meende te ontwaren. Tiens, zou daar niks zijn? Toch maar eens gaan kijken – ondanks het protest van mijn kompanen die al bijna in het water lagen: “nee Paul we hebben geen tijd, Annette wacht op je telefoontje!” – ze hadden gelijk natuurlijk. Zeer steile kleihelling, zonder één voetstap – maar misschien waren die weggespoeld door de crues. Verder omhoog, tot aan het terras. Ik was nu 15 m gestegen en voor mij vertrok zowaar een 5 m brede galerij met een vlakke en maagdelijke kleivloer. Het kon gauw doodlopen – of niet. Maar dit ging ik niet alleen uitvissen, dus riep ik “komen!” naar de anderen. Het volk onder mij morde wat maar het vooruitzicht op een ontdekking bleek toch aanlokkelijk genoeg om heel de meute rechtsomkeer te doen maken.
Na een eeuwigheid wachten was iedereen bij mij. Tien meter verder leek de galerij al te stoppen.. of toch niet, rechts was een lage doorgang te zien. Voorzichtig erdoorheen om een witte stalagmiet niet vuil te maken, en toen… stonden we in een zeer grote gang, wel 10 m breed met reusachtige blokken. Hoog boven ons was een vertrek van een gang, enkel mits een klim te bereiken. Frits, de klimmer van de bende, hupte blij als een kind in het rond. We slalomden tussen de blokken, stegen nog flink en geraakten zo in een tweede grote zaal (20 op 10 m). Hier konden we een zeer steile puinhelling beklimmen, tot we in ons elan gestopt werden door een vrijwel verticaal klimmetje van 3 meter hoog. Erboven leek een grote gang horizontaal verder te gaan.
Opm: geen foto's van dit nieuwe stuk, sorry! 
We waren door het dolle heen: niet enkel waren we +/- 40 m gestegen (dus al tot op het niveau van de ingang), heel deze première liep ook in de richting van die ingang. Kortom hier was het potentieel om ofwel met de ingangsput, ofwel de oppervlakte te verbinden. 
Erik op de terugweg doorheen de waterzone
Intussen was onze tijd echt wel op: ik moest echt om 18 u aan de auto staan voor het verlossende bericht naar Annette. We ploeterden door de sifons en ik spurtte als eerste de put op – maar die spurt werd wel fors afgeremd door een dik neopreenpak, een zware kitzak fotomateriaal en vooral door die klotevernauwing waar ik wel 5 minuten voor nodig had. Om 17:35 buiten, om 17:45 net op tijd aan de auto. De rest van de ploeg kwam er een half uur later aan. Iedereen was unaniem: dit was een van de beste tochten ooit. Voor mij persoonlijk, de realisatie van een 35 jaar oude natte droom.
Een uur later zaten we al tussen pot en pint plannen te smeden voor volgende week.
Hartelijk dank aan de duikers, vooral Stijn dan, voor het banen van de weg, het equiperen van de sifons en het ons verwittigen van de mogelijkheid tot “droog” bezoek, en aan de GRSC (Frits) voor de uitnodiging.

En wat nu?
Tja, waarschijnlijk zullen, eens het “regenseizoen” volop doorzet, de sifons zich weer vullen en is de “droge” toegang niet meer mogelijk. En geen mens die weet hoe lang dat kan duren (maanden of jaren?). Topprioriteit is nu de verdere exploratie van de nieuwe “Galerie du Flair” 😉 en een precieze topo vanaf de ingang tot in het hoogste punt van die galerij (na het uitklimmen dan). Aldus zullen we weten waar we ons ten opzichte van de oppervlakte bevinden en hoeveel rots ons scheidt. Het feit dat we een levende vleermuis zagen hangen in de nieuwe galerij stemt ons in elk geval hoopvol.
Volgend weekend weten we meer.
Tot slot: Trou Wuinant is afgesloten met een UBS-slot “2ème vitesse” op dwingend verzoek van Direction Nature & Forets. Conservator is Pol Xhaard (GRSC).