De grot, Grotte des Trois Amis genaamd, is al bekend van in de jaren ’60, en de resurgentie zag menig duiker passeren die nooit heel ver geraakten: 10 tot 15 m tot ene Michel Pauwels er zich mee bemoeide. Na zijn duikcampagnes, vanuit de resurgentie maar ook vanuit de grot (waar ergens een zicht is op de sifon), was hij liefst 150 m ver geraakt in de sifon, met einde op een blokkeninstorting. De sifon is helder en ruim (behalve het begin dan), en is één van de weinige Belgische sifons van die lengte die zich vanaf een resurgentie laat duiken. Meer info in Regards nr 1 van 1987.
De grot bestaat uit 50 m nauwe en lage passages, vervolgens een grote galerij van zowat 75 m lang. Alles bij elkaar een uurtje werk, dus eten of drinken vonden we niet nodig, wel een schopje en pioche... je weet nooit.
Vanaf het begin was het plat op de buik in laminoirs, die door de stevige vrieskou van de voorbije weken kurkdroog waren (de grot zoog lichtjes aan). Na een meter of 30 wees een graafbak en een emmer uit dat er hier ooit gegraven werd. Al gauw werd ons duidelijk waarom; het vervolg was “weg”. Dassen hadden het terrein totaal herschapen. Die beesten zijn kampioenen in het verzetten van kubieke meters aarde met als voornaamste betrachting, de grot ontoegankelijk maken voor indringers. Enkel voor zichzelf laten zij een passage van zowat 20 cm breed, te weinig voor speleologen. En wetende dat die dassen ongelooflijke hoeveelheden natte diarree-achtige KAK produceren, en die overal en dan vooral midden in lage doorgangen deponeren, betekent zo’n dassenfamilie meestal wel het einde van het speleologische bezoek.
Echter, de dieren waren hier al lang weg, want er was geen kak noch pis, de aarde was droog en rook fris, alleen was alles totaal omgewoeld.
Dus kozen we op geluk een dassenhol en begonnen te graven. De grond was mul, de passage was zeer laag (te laag om de helm op te houden) maar breed genoeg om te stockeren. Een duidelijke tocht wees de weg en we groeven ons urenlang te pletter. Op die manier vorderden we wel 15 m (een record ?) en ontdekten zelfs nog een klein, maagdelijk zaaltje, want de weg die we volgden was zeker niet de oorspronkelijke.
Nu, evident was het niet, de laminoir was zeker 5 m breed maar 30 cm hoog en vrijwel geheel opgevuld en we zigzagden daar al gravend doorheen. En dan hoera, na 5 uur graven: een grote ruimte; de grote galerij. Ook hier hadden de dassen in het begin hele burchten gemaakt.
Scheel van honger en vooral dorst bezochten we gauw deze grote gang (2 à 3 m breed en hoog). Onderweg enkele concreties, en een zicht op een diepe, heldere sifon.
De terminus daar bleek al aan gewerkt te zijn, onze voorgangers waren 10 m verder geraakt tot in een wat ébouleuze zaal waarin werkelijk geen enkel vervolg te bespeuren valt. Jammer want als je de dimensies ervoor ziet, dat begin je al te dromen. Wij zullen onze prospecties dus richten op het terrein erboven en de diverse pertes die stroomopwaarts van de resurgentie bekend zijn. Wordt vervolgd.
Aan de auto om 17u, na 6 uur in dat hol voor mol te hebben gespeeld. Bekaf en met stijve spieren huiswaarts. Maar heel goed geamuseerd. Meer moeten speleologen niet hebben om gelukkig te zijn.
NB: in de grot enkele zeldzame vleermuizen gezien, dus we zich geroepen voelt om ons mollenwerk over te doen, wacht best tot in de lente.
Geen opmerkingen :
Een reactie posten